32.11. Parallel Line IP (PLIP)

PLIP maakt het mogelijk om TCP/IP tussen parallelle poorten te draaien. Het is nuttig op machines zonder netwerkkaarten, of om op laptops te installeren. In deze sectie wordt besproken:

32.11.1. Een parallelle kabel maken

Een parallelle is te koop in de meeste computerwinkels. Wanneer dit niet mogelijk is, of indien de het gewenst is om te weten hoe ze worden gemaakt, laat de volgende tabel zien hoe ze met een gewone parallelle printerkabel gemaakt kunnen worden.

Tabel 32-2. Een parallelle kabel voor netwerken bedraden

A-naam A-einde B-einde Beschrijving Post/Bit

DATA0
-ERROR

2
15

15
2

Gegevens

0/0x01
1/0x08

DATA1
+SLCT

3
13

13
3

Gegevens

0/0x02
1/0x10

DATA2
+PE

4
12

12
4

Gegevens

0/0x04
1/0x20

DATA3
-ACK

5
10

10
5

Strobe

0/0x08
1/0x40

DATA4
BUSY

6
11

11
6

Gegevens

0/0x10
1/0x80

GND 18-25 18-25 GND -

32.11.2. PLIP opzetten

Als eerste dient er een laplink-kabel aanwezig te zijn. Controleer vervolgens dat beide computers een kernel hebben met ondersteuning voor het stuurprogramma lpt(4):

# grep lp /var/run/dmesg.boot
lpt0: <Printer> on ppbus0
lpt0: Interrupt-driven port

De parallelle poort dient een interrupt-gestuurde poort te zijn, regels zoals de volgende dienen in het bestand /boot/device.hints aanwezig te zijn:

hint.ppc0.at="isa"
hint.ppc0.irq="7"

Controleer vervolgens dat het kernelinstellingenbestand een regel device plip bevat of dat de kernelmodule plip.ko is geladen. In beide gevallen dienen de parallelle netwerkinterfaces te verschijnen wanneer het commando ifconfig(8) gebruikt wordt om het weer te geven:

# ifconfig plip0
plip0: flags=8810<POINTOPOINT,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500

Steek de laplink-kabel in de parallelle interface op beide computers.

Stel als root op beide sites de parameters voor de netwerkinterface in. Bijvoorbeeld, indien het gewenst is om host host1 met een andere machine host2 te verbinden:

                 host1 <-----> host2
IP Address    10.0.0.1      10.0.0.2

Stel de interface op host1 in met:

# ifconfig plip0 10.0.0.1 10.0.0.2

Stel de interface op host2 in met:

# ifconfig plip0 10.0.0.2 10.0.0.1

Er dient nu een werkende verbinding te zijn. Lees voor meer details de hulppagina's lp(4) en lpt(4).

Ook dienen beide hosts aan /etc/hosts toegevoegd te worden:

127.0.0.1               localhost.mijn.domein localhost
10.0.0.1                host1.mijn.domein host1
10.0.0.2                host2.mijn.domein host2

Ga naar elke host en ping de andere om te bevestigen dat de verbinding werkt. Bijvoorbeeld, op host1:

# ifconfig plip0
plip0: flags=8851<UP,POINTOPOINT,RUNNING,SIMPLEX,MULTICAST> mtu 1500
        inet 10.0.0.1 --> 10.0.0.2 netmask 0xff000000
# netstat -r
Routing tables

Internet:
Destination        Gateway          Flags     Refs     Use      Netif Expire
host2              host1            UH          0       0       plip0
# ping -c 4 host2
PING host2 (10.0.0.2): 56 data bytes
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=0 ttl=255 time=2.774 ms
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=1 ttl=255 time=2.530 ms
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=2 ttl=255 time=2.556 ms
64 bytes from 10.0.0.2: icmp_seq=3 ttl=255 time=2.714 ms

--- host2 ping statistics ---
4 packets transmitted, 4 packets received, 0% packet loss
round-trip min/avg/max/stddev = 2.530/2.643/2.774/0.103 ms